Negen dagen te gaan nog in het jaar 2016. Als alles meezit, geniet ik tijdens de jaarwisseling van mijn samenzijn met dierbaren – én van oliebollen natuurlijk! Daarom nu alvast een terugblik: ieder moment is immers het perfecte moment om in dankbaarheid terug te kijken…

Dank en ja

Eigenlijk zou ik mijn ‘kersttoespraak’ van vorig jaar hier gewoon weer kunnen plaatsen; de woorden ‘dank’ en ‘ja’ hebben in 2016 weinig aan kracht ingeboet. Ook dit jaar mocht ik me weer verheugen in mooie ontmoetingen, leerzame momenten en veel, heel veel inspiratie. Wat dat laatste betreft was het een bijzondere ervaring om een jaar lang bezig te zijn met een en hetzelfde boek (Benedictijnse regels voor een gelukkig leven van Anselm Grün).

Door iedere maand een artikel te wijden aan een hoofdstuk van een boek dat ik al meerdere malen had gelezen, ervoer ik hoe een tekst kan blíjven inspireren. Het schrijven van de artikelen gaf de hele exercitie daarbij beslist meerwaarde: door steeds op zoek te gaan naar de relevantie van een ‘regel’ van Grün in mijn eigen leven, kreeg het herlezen van de hoofdstukken nog meer diepgang.

Dat mag in de krant

Inmiddels heb ik mijn avontuur met de Benedictijnse regels van Grün afgerond, overigens op een leuke manier. Ik ben over dit boek geïnterviewd voor de boekenrubriek van een plaatselijke krant en wie weet heb ik daarmee nog een enkeling kunnen inspireren met mijn literaire voorkeur. Zelfs als dat niet het geval is, vond ik het echter een interessante ervaring om iemand anders uit te leggen wat ik zo bijzonder vond aan dit boek.

Wat literaire ontmoetingen betreft viel er in 2016 overigens heel wat meer te genieten dan Grün alleen. Natuurlijk was er de nodige Engelse fictie, maar ook aan boeiende non-fictie ontbrak het me niet. In een eerdere blog schreef ik al het een en ander over Verslaafd aan liefde van Jan Geurtz en die titel staat zonder meer hoog op mijn favorietenlijstje van 2016. Een boek dat wellicht nóg meer indruk maakte, was echter De herberg van het hart van Hein Stufkens en Marcel Derkse.

Naar de herberg geleid

De manier waarop ik op dit boek stuitte is vermeldenswaardig. In het eerder genoemde boek van Jan Geurtz staat een gedicht van soefimysticus Rumi, genaamd De herberg. Onder de indruk van dit prachtige gedicht ging ik in de catalogus van de bibliotheek op zoek naar werken van deze grootse dichter. Al zoekend kwam ik de titel De herberg van het hart tegen en uiteraard prikkelde die meteen mijn nieuwsgierigheid. De recensie van het boek zorgde er vervolgens voor dat ik het meteen reserveerde. Inmiddels heb ik het boek gelezen en herlezen en ik verwacht dat ik dat zeker nog vaker te gaan doen.

Gidsen voor onze tijd

Stufkens en Derkse voeren in het boek twee middeleeuwse mystici ten tonele: Franciscus van Assisi en Mevlana Rumi. Het inkijkje in de levensloop van deze twee mannen (en de overeenkomsten daartussen, ondanks hun verschillende achtergronden) is fascinerend. Mooier nog is echter de manier waarop de schrijvers Franciscus en Rumi opvoeren als ‘gidsen voor onze tijd’, zoals ze het zelf noemen.

De auteurs schreven het boek naar aanleiding van het feit dat godsdienst na 11 september 2001 door meer en meer mensen gezien lijkt te worden als een gevaar. De God van Rumi en Franciscus is echter niet Degene die verdeelt, maar Degene die verbindt. Aan de hand van de thema’s God, liefde, samenleven, sterven, vreugde en vrede laten Derkse en Stufkens zien wat de wijsheid van de twee mystici ons, zo veel eeuwen later, nog altijd te bieden heeft.

Rumi is de minnaar die, waar hij zijn gelaat ook wendt, overal de Geliefde ziet en voor wie God (Allah) nader is dan zijn halsslagader. Franciscus stichtte de orde der Franciscanen; monniken die letterlijk en figuurlijk met ‘lege handen’ wilden leven omdat ze beseften dat alles ‘van hun Heer’ was.

Impopulaire doordenker

Een passage uit dit inspirerende boek die ik zeker meeneem naar het nieuwe jaar:

Eigenlijk is ‘je leven géven’ nog een te beperkte omschrijving voor hoe Franciscus (en vele andere christelijke mystici) tegen de dood aankeken. Hij zou zich beter gevoeld hebben bij de idee dat we als we sterven ons leven terúggeven. Immers niets is van ons, en ook ons eigen leven mogen we ons niet toe-eigenen. We hebben het gekregen, er iets mee mogen doen, en op Zijn tijd mogen we het in dankbaarheid teruggeven. Het is eigenlijk nooit van ons geweest!

Dat is een interessante gedachte om eens verder door te denken. Wat is er eigenlijk in je leven dat je niet aan anderen te danken hebt: je conceptie, je geboorte, je talenten, je opvoeding, je scholing, alles wat je weet en kunt, je geliefden en ook de obstakels die zich in je leven voordeden en je uitdaagden nog verder te groeien – dat alles heb je gekregen. Zo krijg je vroeg of laat ook bezoek van zuster dood, die je uitnodigt je leven in dankbaarheid terug te geven. De kunst van het sterven is misschien de kunst van het dankbaar zijn – en beide kunsten, die de religieuze mens zo dierbaar zijn, zijn in onze samenleving niet echt populair.

Een leven in bruikleen

Of we de dingen in ons leven nu aan ‘anderen’ of aan Iets Anders te danken hebben, feit is dat het ons allemaal geschonken is, of beter nog, dat het ons in bruikleen is aangeboden. Zo lang het duurt mogen we het gebruiken…

Nog even en het jaar 2016 blaast zijn laatste adem uit. Ik laat het in dankbaarheid gaan, alleen al vanwege de mooiste woorden die ik dit jaar las. Van Rumi, die op het oog misschien over aardse liefde schreef…

When I am with you, we stay up all night.
When you’re not here, I can’t go to sleep.

Praise God for these two insomnias!
And the difference between them.

Een officiële vertaling heb ik niet bij de hand, maar dit komt in de buurt:

Als jij er bent, blijf ik de hele nacht wakker.
Ben jij er niet, dan doe ik geen oog dicht.

Ik dank God voor deze nachten
en het verschil tussen beide.

Die overgave… laat 2017 maar komen, met alles wat het met zich meebrengt!