Bij toeval stuitte ik op het experiment dat de Washington Post jaren geleden uitvoerde met violist Joshua Bell. Hoewel het plaatsvond in 2007, raakt het me nog steeds als ik het zie. Als ik naar de beelden kijk, kan ik niet anders dan mezelf afvragen: ‘En mijn deur, staat die wél open?’

Parels in de spits

Het artikel in de genoemde krant, Pearls Before Breakfast, beschrijft hoe Bell op de bewuste dag incognito bijna drie kwartier lang de sterren van de hemel speelt in een metrostation. Tijdens de ochtendspits. In die tijd haasten ruim duizend mensen zich aan hem voorbij – en vrijwel niemand merkt hem op, laat staan dat hij herkend wordt als de virtuoos die hij is. Terwijl hij hartverscheurend mooie muziek maakt (op een viool die bijna vier miljoen dollar waard is), kijken mensen niet op of om. Na afloop van zijn optreden ligt er 32,17 dollar in zijn vioolkist. Plus een briefje van twintig, maar dat was van de enige persoon die hem, pas aan het eind van zijn performance, herkende…

Onopgemerkte schoonheid

Deze straatmuzikant waar de haastige forenzen aan voorbij snellen, is dezelfde man die voor uitverkochte prestigieuze concertzalen over de hele wereld het publiek aan zijn voeten krijgt en de grootste muziekprijzen heeft gewonnen. Het ligt dus voor de hand dat zo’n artikel te denken geeft, bijvoorbeeld over de vraag wat schoonheid nu eigenlijk is: is het iets objectiefs, dat zich laat meten? Niet meer dan een mening? Of misschien een combinatie van die twee, die wordt beïnvloed door de actuele geestesgesteldheid van de persoon in kwestie? Interessant om over na te denken, maar wat mij betreft niet het belangrijkste. Wat mij maar niet loslaat, is de kwestie van de ‘wandelende hoofden’…

Wandelende hoofden

Waar het volgens mij op neerkomt, is dat al die mensen wel in dat metrostation lópen, maar er niet aanwezig zijn. Eigenlijk zijn het allemaal wandelende hoofden – en die hoofden zijn duidelijk ergens anders. Bij de bespreking die op de planning staat, de deal die gesloten moet worden, de vervelende klus die afgerond moet worden. Bij de auto die naar de garage moet, de kinderen voor wie opvang geregeld moet worden, de hond die nog steeds die inenting niet gehad heeft, familieleden die nodig weer eens bezocht moeten worden. De telefoontjes die gepleegd moeten worden, de afspraken die gemaakt of verzet moeten worden, de netelige kwesties waar geen oplossing voor lijkt te zijn…

Niemand thuis

Al die mensen die langs wonderkind Bell lopen, die schijnbaar moeiteloos de meest complexe, betoverende tonen aan zijn instrument ontlokt, wonen in hun hoofd. In hun lijf – en hun hart – is kennelijk niemand thuis. Als schoonheid aan hun deur klopt, doen zij niet open. Ze zitten op zolder, te ver weg om het geklop zelfs maar te horen. En dus ontgaat de schoonheid hen; van deze muziek en van wie weet wat nog meer. Gene Weingarten schrijft in zijn artikel:

If we can’t take the time out of our lives to stay a moment and listen to one of the best musicians on Earth play some of the best music ever written; if the surge of modern life so overpowers us that we are deaf and blind to something like that – then what else are we missing?

Van harte aanwezig

Om in contact te zijn met je omgeving, om ‘aangeraakt’ te kunnen worden, moet je thuis zijn. Aangeraakt door muziek, de manier waarop het zonlicht door het raam naar binnen valt, de weerspiegeling van de wolken in de plassen op straat, het lied van een merel, de wind die door de bladeren ruist. Door wat je dierbaren en alle andere mensen in je leven je vertellen, wat hen beweegt, wat hen verdriet doet en wat hen vreugde schenkt. Om de deur van je hart open te kunnen doen, moet je thuis zijn.

Zelfs op de dagen dat we op weg naar ons werk geen vioolvirtuoos tegen het lijf lopen, worden we omringd door schoonheid. We zouden het zien als we er oog voor hadden. Maar als we zó verdiept zijn in de zaakjes die zich op onze zolder afspelen dat we het wonder van alledag niet opmerken – wat ontgaat ons dan nog meer?