In zijn boek ‘Benedictijnse regels voor een gelukkig leven’ geeft Anselm Grün tien gouden regels die de mens naar zijn zeggen nodig heeft om geluk te ervaren. In deze KernZin verken ik zijn tweede regel, die van de ontmoeting.

Hoezo, een engel?

In zijn inleiding van dit hoofdstuk citeert Grün de joodse filosoof Martin Buber, die bekend is geworden met zijn uitspraak ‘Ik word door jou’. En hoewel ik me in de inleiding goed kan vinden, zeg Grün op de volgende pagina iets waar ik mijn vraagtekens bij plaats:

Als een ontmoeting slaagt, dan hebben we vaak de indruk dat we een engel zijn tegengekomen. De ander komt op ons over als een engel die […] is gestuurd om op dit moment iets tegen ons te zeggen wat ons opbeurt en verandert.

En even verder:

Ontmoeting brengt altijd vreugde, levendigheid, echtheid teweeg. Ik kom in ontmoeting met een ander in contact met mijn ware ik […]. Ik ontdek bronnen in mezelf die tot nog toe bedekt waren. Er springt iets in me op. Ik ben levendig. En ik zet nu ook om me heen iets in beweging.

Ik zal de laatste zijn om te beweren dat een ontmoeting geen vreugde kan brengen. En ontmoetingen kunnen ook zeker iets in beweging brengen. Ik struikel vooral over die engel…

Vertroebelde blik

Als in nadenk over ‘ontmoeten’, dan kom ik tot de conclusie dat de ontmoetingen die het meest in beweging zetten in mijn geval vaak juist niet de ontmoetingen met een engel zijn. Of althans, misschien zijn het wel degelijk engelen die ik ontmoet, maar herken ik ze met mijn vertroebelde blik niet. Degene door wie ik ‘word’ heeft voor mij meer dan eens eerder het voorkomen van een duivelse dan een engelachtige boodschapper. Het woord ‘ontmoeten’ deel ik in mijn hoofd altijd op als ‘ont-moeten’: iets dat eerst moest, hoeft nu niet meer, of er is sprake van een loskomen van een bepaald moeten. Dat komt er voor mij op neer dat de ware ontmoeting een ontmoeting is met mezelf. De ander is, duivel of engel, degene die de aanleiding voor deze ont-moeting is.

Leuk me te ontmoeten

In ingewikkelde interacties valt wat dit betreft de meeste winst te behalen. Als de ander zich in mijn ogen voordoet als een duivel, wordt er veel meer in mijn aangeraakt dan bij een engelachtige tegenspeler. Toegegeven, een ontmoeting met een engel is heerlijk, maar is meer een bevestiging van het goede dat ik al kende dan dat het een uitnodiging is om het minder goede eens nader te onderzoeken. Als ik de duivel bezig zie, wordt er aan mijn kant veel meer op de proef gesteld, kom ik mezelf veel meer tegen en valt er uiteindelijk veel meer te ont-moeten.

Soms gaat het mis, of…

Grün heeft het later in het hoofdstuk trouwens wel over ontmoetingen met mensen die ons schade willen toebrengen. Maar dit is nog niet eens zozeer de ontmoeting waar ik hierboven over schrijf: ook als de ander lijnrecht tegenover je staat, wil dat niet zeggen dat zij of hij je schade toe wil brengen. Toch is het een ander soort ontmoeting dan die vreugdevolle samenkomst waar Grün het over heeft. Bij die minder engelachtige ontmoetingen komt de vreugde, als die al komt, meestal pas heel veel later, als ik er een bepaald inzicht aan heb ontleend. Ook zijn er, zo meent Grün, ‘ontmoetingen die mislukken’:

Als ik altijd de oude wil blijven en mezelf wil rechtvaardigen en verdedigen, ben ik niet in staat om een ander daadwerkelijk te ontmoeten en helemaal open te staan voor het nieuwe, het onbekende.

Ik weet het niet, ik geloof niet zo in ‘mislukte’ ontmoetingen. Iedere interactie doet iets, of ik me er nu bewust van ben of niet. Zelfs als ik hardnekkig vast blijf houden aan mijn eigen standpunten, komt er in iedere interactie iets in beweging, hoe klein ook. En iedere volgende interactie voegt hier weer iets aan toe – totdat ik ook dan uiteindelijk toe ben aan die ware ontmoeting… met mezelf.

Duivels relateren

Ware ontmoeting beoordeelt en veroordeelt niet. […] In plaats van de ander te willen veranderen, accepteert ze hem onvoorwaardelijk.

En dat is nu precies waarom ik denk dat de meeste winst te behalen valt in de meer ‘duivelse’ vormen van relateren. Het is immers oneindig veel makkelijker om een engel onvoorwaardelijk te accepteren dan een duivel! Om de duivel die ik in de ander denk te zien met open armen te verwelkomen, moet er heel wat meer innerlijk werk verzet worden. Dan moet ik afrekenen met een heleboel gedachten over hoe de wereld er eigenlijk uit zou moeten zien. En dit ont-moeten kan nergens anders plaatsvinden dan in mezelf. Duivels en engelen houden me ieder op hun eigen manier een spiegel voor, maar het werk verzet ik zelf. ‘Ik word door mij’ – met dank aan jou!