In zijn boek ‘Benedictijnse regels voor een gelukkig leven’ geeft Anselm Grün tien gouden regels die de mens naar zijn zeggen nodig heeft om geluk te ervaren. In deze KernZin verken ik zijn zevende regel, die van de levensvreugde.

De vreugde is er al

Vreugde kun je niet afdwingen, zo stelt Grün. Vreugde zit in ons, zegt hij, en het beste wat wij kunnen doen is leven met al onze zintuigen, om zodoende in contact te komen met de altijd aanwezige levensvreugde. Tegelijkertijd is hij van mening dat dit iets is wat veel mensen niet makkelijk afgaat, omdat ze op de een of andere manier van die levensvreugde zijn afgesneden.

Ik denk dat het ervaren van levensvreugde samenhangt met de mate waarin je in staat bent jezelf over te geven aan het leven zoals zich dat voordoet. Daarom ben ik het ook met Grün eens als hij zegt dat het ervaren van vreugde vraagt om het maken van een keuze. Onder dezelfde omstandigheden, of die op het oog nu positief of negatief zijn, zullen sommige mensen wel vreugde ervaren maar anderen helemaal niet. Deels zou dat iets kunnen zijn dat in hun genen zit, maar deels is het ongetwijfeld ook een kwestie van kiezen. Kies je ervoor om de volle of de lege helft van het glas te zien?

Wel even opletten

Het ervaren van levensvreugde hangt naar mijn idee ook sterk samen met het vermogen om oplettend te zijn. Je zult op een bepaalde manier open moeten staan voor al het goede om je heen om het op te merken – om er vervolgens vreugde aan te kunnen beleven. Sta je eenmaal open én kies je voor de volle helft van het glas, dan is de bron in feite oneindig. Ga maar na: je wordt wakker en beseft dat je nóg weer een dag mag leven, je hebt (waarschijnlijk) de mogelijkheid om een warme douche te nemen, om kleren aan te trekken die je prettig vindt dragen, je kunt een ontbijtje voor jezelf klaarmaken precies zoals jij het lekker vindt et cetera – en aan het einde van de dag is er weer de mogelijkheid om uit te rusten in een warm en zacht bed. En dat zijn nog maar een paar van de dingen die je met vreugde kunnen vervullen als je ze tenminste opmerkt.

Oefening in dankbaarheid

Hoe meer je opmerkt (en hoe minder je als vanzelfsprekend aanneemt), hoe meer dankbaarheid je ervaart – zo is mijn ervaring althans. Ik heb zelf ondervonden dat dit ook zeker iets is waar je jezelf in kunt oefenen. Toen ik jaren geleden niet erg lekker in mijn vel zat (om het voorzichtig uit te drukken), bracht een boek dat op mijn pad kwam me op het idee een dankbaarheidsdagboek bij te gaan houden (iets waar je nu veel over leest, maar waar ik toen nog nooit van gehoord had). Terwijl het me aanvankelijk moeite kostte om iedere dag drie dingen te noemen waar ik dankbaar voor was, ging dit me al snel beter af. In het begin voelde ik vooral dankbaarheid voor zaken buiten mezelf, terwijl ik na verloop van tijd ook steeds meer vreugde kon ervaren die van binnenuit kwam. Nu, jaren en veel ‘oefening’ later, lijkt het erop dat dankbaarheid mijn tweede natuur is geworden. En daarmee lijkt een constante bron van levensvreugde te zijn aangeboord. Vreugde is nu de grondtoon, óók als het wel eens tegen lijkt te zitten.

Bloeien waar je bent

In het boek dat mij destijds op het spoor van het dankbaarheidsdagboek zette, kwam ook ergens de uitspraak ‘Bloom where you’re planted’ tegen.  De schrijfster zegt hierover:

[…] if we are to grow into Wholeness, we must bloom wherever we are planted. Right now you might not have the perfect career, home or relationship. Few of us do. But if you have the gift of today, you’ve got another chance to re-create your circumstances and make them as perfect as it is possible to do with the resources you have. Today, you get another chance to get it as right as you can make it. What more could you desire?

Alleen dat al, het wonder, het geschenk dat iedere nieuwe dag in feite is… als ik dat ten volle tot me door laat dringen, dan voel ik een vreugde die volgens Grün onverwoestbaar is. Hij haalt hierbij Gregorius van Nyssa aan, die het al in de vierde eeuw had over een ‘onverwoestbare, onbegrensde en eeuwigdurende vreugde.’ Grün zegt over deze vreugde:

Ze is niet gebonden aan het zichtbare. Ze stroomt uit diepere lagen van de ziel.

Blij dat ik besta

In de innerlijke ruimte van de stilte, op de bodem van je ziel, ligt de levensvreugde klaar om opgemerkt te worden. Grün refereert hier aan het sprookje van Gelukkige Hans, waarin Hans een goudklomp inruilt voor een paard (omdat hij denkt dat hij daar meer aan heeft), vervolgens voor een koe, dan een varken en daarna een gans. Die ruilt hij voor een slijpsteen – die hij ten slotte in het water laat vallen, waardoor hij met lege handen staat. De vrijheid die hij dan ervaart, brengt hem in contact met die onverwoestbare levensvreugde en hij zegt dat er waarschijnlijk geen gelukkiger mens bestaat dan hij. Grün schrijft:

Nu is hij simpelweg blij over zijn bestaan Hij staat open voor het moment, waarin hij zijn levend-zijn ervaart. En dat is voor hem genoeg reden tot vreugde.

Een nieuwe dag, een volgende ademteug, me bewust zijn van mijn ‘levendheid’… Levensvreugde is altijd voorhanden – als ik er maar oog voor heb.