Hier zit ik, op de bodem
Van het dal, dat even diep is als duister,
Beklemmend en schijnbaar eindeloos.
Ik huiver.

Naast me, onvermijdelijk, mijn reisgenoten
Als-ik-nou en Had-ik-maar, die me verwijten
Dat ik de afslag naar Beter heb gemist.
Ik sla, net als anders, dicht en luister.

Dan is daar de zon die de kloof in schijnt
En het pad verlicht waarlangs ik kwam.
Nu zie ik dat er nooit een afslag was,
Dat de groei al in de kiem besloten lag.
Op dit keerpunt waar keren ondenkbaar is,
Ontbreekt zelfs het concept ‘afslag gemist’,
Verwijten verworden tot een verre ruis.

Ik sta op, vervolg mijn weg en weet:
Hij die me hier bracht, brengt me thuis.