Weer kwam en ging een dag
Vol alledaagse wonderen.
Weer stond ik met
Een mond vol tanden en
Met pijnlijk lege handen.

Hoe dit immense mirakel
Op gepaste wijze te bezingen?
Al blijf ik oneindig schrijven,
Nooit tref ik de juiste toon.

Maar dan het grootste wonder:
Dat, al blijf ik eeuwig in gebreke
En schiet ik dagelijks tekort,
Zelfs mijn onbeholpen pogen
Liefdevol ontvangen wordt.